Cultuur

Het handboek van de Koerden: Mem & Zin; De Koerdische Romeo & Juliet

Door: Soelaf Sindi

Het literaire werk Mem û Zîn van Ehmedê Xanî (hierna Khani genoemd), geschreven rond 1695, situeert zich binnen de culturele en historische bewustwording van de Koerden in de zeventiende eeuw. Mem û Zîn wordt beschouwd als het nationale epos van de Koerden en bestaat uit meer dan 2.600 verzen. Het vertelt het tijdloze tragische liefdesverhaal van Mem, een medewerker van het Koerdische Emiraat Bohtan en lid van de Alan-clan, en Zin, het zusje van de heerser van het Koerdische emiraat, dat onder de Bohtan-clan valt. Het verhaal is gebaseerd op een waargebeurde gebeurtenis in de stad Cizre, in Noord-Koerdistan en is van generatie op generatie doorgegeven via de dengbej-kunst. De dengbej-kunst is een traditionele orale vertelvorm binnen de Koerdische cultuur, waarbij zangers (dengbêj) verhalen, poëzie en historische gebeurtenissen zingend overleveren. Deze kunstvorm speelde een cruciale rol in het bewaren en doorgeven van de Koerdische geschiedenis, folklore en maatschappelijke thema’s, vooral in tijden waarin schriftelijke documentatie schaars was. Voor veel Koerden heeft dit epos een bijzondere betekenis. Niet alleen is het een van de eerste grote literaire werken die vrijwel volledig in het Koerdisch werd geschreven, maar het wordt ook gezien als een metafoor voor de voortdurende strijd van de Koerdische bevolking voor onafhankelijkheid en eenheid. Dit epos wordt dus niet alleen als een historisch werk over een moeizame liefde beschouwd, maar ook als een politieke profetie.

Het verhaal in grote lijnen

Michael Chyet heeft in zijn onderzoek Mem û Zîn: introduction and bibliographic survey tientallen versies en vertalingen van het verhaal verzameld en vergeleken. In grote lijnen lopen de versies gelijk. Tijdens de Newroz-viering, het Koerdische nieuwjaarsfeest, ontmoeten Mem en Zin elkaar en worden op slag verliefd. Mem, een jonge, gevoelige Koerd met een poëtische en eerlijke aard, raakt betoverd door Zin die bekendstaat om haar engelachtige schoonheid. Hun liefde staat symbool voor puurheid en goedheid, maar wordt vanaf het begin bedreigd. De grootste tegenstander van hun liefde is Beko, die symbool staat voor kwaad en bedrog. Uit jaloezie onthult hij hun verboden liefde aan de heerser, wat ertoe leidt dat Mem wordt gevangengenomen. Zijn trouwe vriend Tacdin doet alles om hem te bevrijden, maar zijn pogingen worden verijdeld. Uiteindelijk sterft Mem in de gevangenis. Wanneer Zin het tragische nieuws ontvangt, wordt ze overmand door verdriet. Ze huilt onophoudelijk bij zijn graf, tot haar hart het begeeft. Ze overlijdt zeven dagen later en wordt naast Mem begraven in Cizre. De waarheid over Beko’s rol in deze tragedie komt aan het licht, waarna Tacdîn hem doodt. Voor zijn dood had Mem echter een opmerkelijke wens uitgesproken: Beko moest naast hen begraven worden, zodat hij kon aanschouwen hoe sterk hun liefde was. Maar zelfs in de dood blijft hun lot wreed. Uit Beko’s graf groeit een doornstruik die zich tussen Mem en Zin nestelt, waardoor zij gescheiden blijven, zelfs in het graf. Naast de liefde speelt ook mysticisme en soefisme een grote rol in het verhaal en vinden er wonderlijke gebeurtenissen plaats, zoals de komst van een magisch paard en de hulp van feeën die de geliefden samenbrengen. Daarnaast biedt het verhaal een inkijk in de sociale conventies van de Koerden in die tijd en behandelt het diepgaande morele vraagstukken. Het bekende graf van Mem en Zin staat nog steeds in de stad Cizre en trekt jaarlijks veel bezoekers.

De onderliggende betekenis van het verhaal

Hoewel liefde het centrale thema van het verhaal is, besteed het boek te veel zinnen aan bredere filosofische overpeinzingen, politieke ideeën en symbolische uitdrukkingen om Mem û Zîn alleen als een simpel liefdesverhaal te beschouwen. Het verhaal draait om twee voorbestemde geliefden die met Newroz nacht op slag verliefd worden en verlangen om samen te zijn, maar door omstandigheden en een kwaadwillend persoon genaamd Beko steeds niet met elkaar kunnen trouwen en tot een tragisch einde komen. Ondanks dat ze samen begraven zijn, blijven ze zelfs na hun dood gescheiden doordat een doornstruik hen fysiek scheidt in het graf. Deze tragedie wordt vaak geïnterpreteerd als een metafoor voor de verdeeldheid binnen de Koerdische samenleving. Michiel Leezenberg benoemt in zijn stuk: The Consecration of a Kurdish national epic dat het verhaal enerzijds de invloed weerspiegeld van externe machten die verdeeldheid veroorzaken, anderzijds symboliseert het volgens hem ook de interne onenigheid onder de Koerden zelf, waardoor eenheid moeilijk te bereiken is. Hassanpour-Aghdam voegt toe dat Mem û Zîn de twee delen van het Koerdisch grondgebied in die tijd representeren, waarvan het ene deel onder de Ottomaanse heerschappij stond en het andere deel onder de Perzische Safavidische controle. De op dit moment twee grootste dialecten die door Koerden worden gesproken, zijn Kurmancî en Soranî. Kurmanci wordt voornamelijk gesproken in Noord-Koerdistan (Turkije), West-Koerdistan (Syrië) en in delen van Zuid-Koerdistan (Irak). Sorani daarentegen, wordt vooral gesproken in het centrale en zuidelijke deel van Zuid-Koerdistan (Irak) en in het oosten van Koerdistan (Iran).

De slechterik, Beko, staat volgens Hassanpour symbool voor het gebrek aan eenheid tussen de Koerdische vorstendommen en dynastieën die in die tijd al bestonden. Vanuit deze interpretatie weerspiegelt het tragische lot van Mem û Zîn het onvermogen van de Koerden om zich te verenigen, wat hen – net als hun land – gescheiden houdt. Khani maakt in zijn werk een bekende opmerking waarin hij aangaf het verhaal te hebben geschreven om de Koerden te presenteren als een volk met een sterke oorsprong, diepgaande kennis, standvastigheid en stevige principes: ‘’Da xelqi nebêjitin ko Ekrad Bê me’rifet in, bê esl û binyad’’ (zodat mensen niet zullen zeggen dat de Koerden zonder oorsprong, kennis, zonder principes of fundamenten zijn). Khani was zich bewust van de ondergeschikte status van de Koerdische taal en stelde verschillende strategieën voor om deze situatie te verbeteren. Hij pleit in Mem û Zîn voor de eenheid van de Koerden onder één Koerdische heerser en het gebruik van de taal voor wetenschappelijke, literaire en religieuze doeleinden. Op deze manier wilde hij het intellectuele niveau van het volk verhogen. Met dit doel voor ogen schreef hij Mem û Zîn.

Buitenlandse onderzoekers hebben zich vaak verbaasd over de ogenschijnlijk tijdloze aard van Khani’s verzen. Het is voor velen bijzonder dat een literair werk uit de 17e eeuw ideeën bevat die passen binnen het Koerdisch romantisch nationalisme dat pas aan het begin van de 19e eeuw de kop op kwam steken in West-Europa. Echter, Khani streefde in die tijd niet naar een natiestaat gebaseerd op politieke vrijheid of volkssoevereiniteit. In plaats daarvan verlangde hij naar een land geregeerd door een Koerdische prins, in plaats van door een Turkse, Perzische of Arabische heerser. Een van de belangrijkste bijdragen van Khani was zijn pleidooi voor het schrijven in de moedertaal. Door zijn introductie in Mem û Zîn benadrukte hij het belang van literatuur in de Koerdische taal, wat hem tot een sleutelfiguur in de Koerdische literatuurgeschiedenis maakt. Zijn werk wordt daarom niet alleen als literair meesterwerk beschouwd, maar ook als een belangrijk symbool voor de Koerdische nationale identiteit. Khani heeft naast het boek Mem û Zin nog meer boeken geschreven, waaronder: De Nieuwe Lente van de Kinderen (Nûbihara piçûkan) en Het Geloof In de Religie (Eqîdeyê îmanê).

De grote invloed van Ahmed Khani

Een van de belangrijkste kenmerken die Khani onderscheidde binnen de Koerdische literatuur, was zijn nadruk op het schrijven in de eigen taal. Hiermee werd hij de grondlegger van het gebruik van de moedertaal in de geschreven literatuur. Echter, Mem û Zîn bleef gedurende twee eeuwen enkel in handschriftvorm circuleren. Pas aan het einde van de 19e eeuw werden de eerste fragmenten gedrukt, en een volledige uitgave verscheen pas in 1919. De eerste lokaal gedrukte fragmenten werden gepubliceerd in het tijdschrift Kurdistan, dat in 1898 werd opgericht en geredigeerd door Miqdad Midhat Bedirxan, zoon van Bedirxan Beg. In de tweede editie van het blad, gedateerd 6 mei 1898, introduceerde Miqdad het epos aan zijn lezers. Hij kondigde aan in elke editie een fragment te publiceren en sprak zijn wens uit om het werk uiteindelijk als boek uit te geven vanwege de vele betekenissen van het verhaal.

Mahmood Bayazidi is een belangrijke bron op zich, samen met de Pools-Russische geleerde Alexander Jaba hebben zij veel manuscripten van Koerdisch proza en verhalen verzameld. In zijn korte overzicht van de belangrijkste klassieke Koerdische dichters, gepubliceerd in Jaba (1860), schrijft hij over Khani: “ji sha’riyêd Kurdistanê hemûyan jî meshhur û fayiq e, belko ji hemû she’iran meqbul û memduh e’’ (van alle Koerdische dichters is hij de beroemdste en misschien wel de meest gewaardeerde en geprezen van alle dichters). Verder werd er een beroemd gedicht gepubliceerd door de Koerdische Soranî-dichter Haji Qadir Koyi (circa 1817–1898). Het gedicht werd naar verluidt opgeschreven in Koyi’s exemplaar van Mem û Zîn, en luidt: “Le kurdan xeyrî Hacî û Shêxî Xanî Esasî nezmî kurdî danenawe” (Bij de Koerden, behalve Haji [Qader Koyi] en sheikh [Ehmede] Khani, heeft niemand de fundamenten van de Koerdische poëzie gelegd). Pas in de jaren 60 nam de Sovjet-academische belangstelling voor de klassieke Koerdische literatuur toe, en er werd een studiegebied genaamd kurdologie opgezet aan universiteiten in de voormalige Sovjetunie, waar het onderzoek naar de Koerdische taal, cultuur en geschiedenis werd bevorderd. In 1962 publiceerde Margaret Rudenko een teksteditie van Mem û Zîn met een Russische vertaling. Ook de Koerdische schrijver in de voormalige Sovjetunie Qanate Kurdo verklaarde openlijk dat Mem û Zîn het nationale epos van de Koerden is.

In ongeveer 1919 bracht Rehmi Hekari een toneelbewerking uit genaamd Memê Alan, waarin Mem zijn vaderland verdedigt, tegen de wens van zowel zijn moeder als zijn geliefde Zîn. De publicatie van deze gedrukte editie markeerde een belangrijk moment, vooral voor de Noordelijke Koerden. In 1920 werd de Koerdische Komela Tealiya Kurdistane (KTC) beweging verboden, en met de oprichting van de Republiek Turkije werden alle vormen van het Koerdisch – gesproken, geschreven en gedrukt – verboden. Hierdoor zou het bijna 50 jaar duren voordat er opnieuw een gedrukte editie van Mem û Zîn in Turkije verscheen. Pas in 1968 publiceerde Mehmet Emin Bozarslan een nieuwe editie van de tekst in Latijnse transcriptie, vergezeld van een Turkse vertaling en een uitgebreide woordenlijst. Hoewel hij de passages over de verdeeldheid onder de Koerden en de oproep tot een sterke leider wegliet, zorgde het feit dat het boek in het Koerdisch werd gedrukt voor ophef. De Turkse autoriteiten verboden het boek en daagden Bozarslan voor de rechter. De politie confisqueerde en verbrandde de helft van de eerste oplage van 6.000 exemplaren. Na zijn vrijspraak in 1973 verscheen in 1975 een identieke herdruk, gevolgd door een derde editie in 1990. Ondanks deze publicaties bleef Koerdische literaire en culturele activiteit in Turkije grotendeels verboden tot ver in de jaren 90. Toch bleven clandestiene Koerdischtalige medrese-scholen bestaan, ondanks het officiële verbod op zowel de Koerdische taal als religieus onderwijs.

In 1991 verscheen een verfilming van Mem û Zîn, geregisseerd door Ümit Elçi. Hoewel in datzelfde jaar het officiële verbod op de Koerdische taal werd opgeheven, bleef er een sterk taboe bestaan op het gebruik van de Koerdische taal. Om die reden werd de film volledig in het Turks gesproken, met slechts enkele fragmenten uit het voorwoord van het gedicht in de oorspronkelijk Koerdische taal. Deze werden gereciteerd door de Koerdische dichter Musa Anter, die een jaar later door onbekende aanvallers werd vermoord. Veel Koerdische activisten en organisaties beschouwen zijn moord als een daad van politieke intimidatie, die verband houdt met zijn kritische houding tegenover de Turkse regering en zijn inzet voor de rechten van de Koerden. Musa Anter staat bekend om zijn spraakmakende uitspraak: “Als mijn moedertaal de fundamenten van jouw staat doet schudden, betekent dat waarschijnlijk dat je jouw staat op mijn land hebt gebouwd’’. Al deze reproducties versterken de status van Mem û Zîn als hét ultieme stuk Koerdisch erfgoed. Tegelijkertijd bevestigen ze, zij het in mindere mate, de prominente positie van Ahmede Khani als de nationale dichter van de Koerden. Geen ander werk in de Koerdische literatuur kent zo’n brede verspreiding, of het nu gaat om een mondeling doorgegeven volksverhaal, een manuscript, een gedichtenbundel, een toneelstuk, een televisieserie of zelfs populaire muziek. Mem en Zîn worden niet alleen gezien als tragische geliefden, maar ook als symbolische nationale helden van Koerdistan.

Deze website maakt gebruik van cookies. Door deze site te blijven gebruiken, accepteert u ons gebruik van cookies.  Cookieverklaring