Cultuur

Ali Hariri, de grondlegger van de Koerdische literatuur

Door: Soelaf Sindi

Ali Hariri/ Ali Hariri al-Kurdi, hierna Hariri genoemd, wordt beschouwd als de grondlegger van de klassieke Koerdische literatuur in het Kurmanci-dialect. Er waren tientallen Koerdische schrijvers en filosofen die in dezelfde periode en zelfs daarvoor actief waren, maar deze communiceerden hun literaire gedachten in het Arabisch, Perzisch of Turks. Zowel Hariri als Evdelsemede Babek, hierna Babek genoemd, onderscheiden zich omdat zij de eerst bekende Koerdische schrijvers zijn die hun poëzie ook in het Koerdisch communiceerden.

Levensloop

Hariri werd rond 1010 geboren in de Rewanduz-regio nabij Hewler, Kurdistan, en hij stierf rond 1080/1089 in Cizire. Er bestaat enige onenigheid over het exacte jaar van zijn geboorte en overlijden omdat er weinig schriftelijk is vastgelegd. Het merendeel van zijn werken werd mondeling gecommuniceerd en is later schriftelijk bevestigd in andere bekende literaire werken. Er is echter overeenstemming dat hij zich naar deze stad heeft verplaatst vanwege de prominente culturele en religieuze rol die Cizire had voor de Koerden rondom de 11e eeuw.

Babek, ook wel bekend als Abdussamed Babek (geboren in Colemerg; 973–1019), was samen met Hariri een van de eerste poëten die hun literatuur in het Koerdisch communiceerden.

Alexander Jaba, een Pools-Russische geleerde, vestigde zich in 1848 in Erzurum als onderdeel van het Russische consulaat. Jaba leerde de Koerdische taal en samen met de Koerdische filosoof Mahmood Bayazidi verzamelde hij een aantal manuscripten van Koerdisch proza en verhalen, waaronder die van Hariri. In zijn onderzoek genaamd: Recueil des notices et récits de la Littérature et des tribus du Kourdistan (Verzameling van berichten en verhalen over de literatuur en stammen van Koerdistan) vertelt hij naast Hariri ook veel over het verhaal Mem U Zin door Ahmede Khani. Jaba vermeldt in deze werken dat Hariri de eerste Koerdische dichter is die een Koerdische divan; een boekwerk bestaande uit verschillende gedichten en verhalen heeft geschreven. Hoewel dit boekwerk niet in zijn geheel bewaard is gebleven.

In 1887 werd voor het eerst een gedicht van Hariri opgenomen door Albert Socin, een Zwitserse oriëntalist die zich specialiseerde in het onderzoek naar Neo-Aramees, Koerdisch en hedendaags Arabische dialecten. Ook Sadik Bahaddin heeft in zijn boek Hozanêt Kurd (Koerdische Dichters) (1980), enkele gedichten uit Hariri’s divan toegevoegd aan zijn boek. Verder weten we van de Russische onderzoekster en Kurdologe Margarita Borisavna Rudenko dat sommige handschriften van Hariri te vinden zijn in de Sjaltikov-Štsedrin Nationale Bibliotheek in St. Petersburg. In zijn gedichten gebruikte hij ook vaak de pseudoniemen Eliyo en Şêx Elî.

De door Aleksander Jaba’s geschreven Koerdische en andere manuscripten

Historische context

Vanwege de vele Koerdische sociaal-culturele en geopolitieke ontwikkelingen is het onmogelijk om Hariri en Babek te bespreken zonder stil te staan bij de Marwaniden-dynastie. Deze Koerdische dynastie regeerde bijna 100 jaar, van ongeveer 983 tot 1085, over een deel van Mesopotamië onder leiding van Baze Dostiki (in het Arabisch bekend als: Badh ibn Dustak) en hierna Marwan ibn Kak en later Al-Hasan ibn Marwan en Nasr al-Dawla Ahmad. Verschillende historici wijzen erop dat de Marwaniden de voorkeur gaven aan een conflictvermijdende, pluralistische politieke retoriek, waardoor de co-existentie van verschillende etnische en religieuze groepen werd gewaarborgd binnen de regio. Deze voorkeur heeft ertoe geleid dat deze periode wordt herinnerd als een van vrede en harmonie. Samen met de welvaart die werd gebracht door de versterking van handelsrelaties, werd deze periode ook gekarakteriseerd door verschillende sociale overwinningen, gedreven door vooruitgangen in wetenschap en kunsten. Deze overwinningen werden weerspiegeld in een groot aantal gebieden, variërend van de miniatuurschilderkunst uit die tijd tot architectonische structuren en de publieke toegang tot bijvoorbeeld tuinen, watertorens, badhuizen, moskeeën en ziekenhuizen. Steeds meer mensen bekeerden zich naar de islam en het soefisme werd leven ingeblazen. Hariri kreeg in deze tijd de naam al-Kurdi toegevoegd om zijn etniciteit te onderscheiden, zoals toen gebruikelijk was.

De hoge muur tussen de Urfa- en Mardin poorten, boven deze poort het Kufic script en het embleem van een tweehoofdige adelaar; architectonische aanpassingen die typerend zijn uit het Marwaniden tijdperk.
De Marwanidische Dicle brug, gebouwd gedurende de Marwaniden Dynastie in opdracht van Nizam Al-Din en Muyyid a-Dawla.
 In het Koerdisch bekend als ‘Pira Merwaniyan’ of ‘Pira Dehderi’

De Seltsjoeken uit Centraal-Azië kwamen vervolgens aan de macht en vormden een middeleeuws Turks-Perzisch rijk, dat ook controle uitoefende over de Koerdische dynastieën. In de pre-islamitische periode was stamidentiteit en loyaliteit een belangrijk onderdeel van het politieke landschap, vooral voor de Koerden. De term Bohtani, die bijvoorbeeld werd gebruikt, verwijst naar een subgroep van de Quraysh-stam waaruit de Marwanidische familie afstamt. Bohtani verwijst ook naar specifieke families of afstammingen binnen deze grotere stamgroep, die een belangrijk netwerk vormden voor politieke steun en de legitimatie van de Marwanidische heersers.

De Marwaniden stonden in de Slag bij Manzikert in 1071 aan de zijde van de Seltsjoeken. Eerst werden er onderhandelingen gevoerd tussen de Seltsjoekse sultan Alp Arslan en de Byzantijnse keizer Romanus IV Diogenes. Toen deze onderhandelingen vruchteloos bleken, stonden de Marwaniden met een leger van tienduizend man aan de zijde van Arslan, die vierduizend soldaten bij zich had. Met behulp van het Marwanidische leger eindigde de veldslag bij Manzikert met de overwinning van de Seltsjoeken. Echter besloot Arslan zijn eigen gouverneurs aan te stellen in Akhlat en Manzikert, waarmee hij deze gebieden uit de Marwanidische administratie haalde. In 1085, na een langdurige belegering en de vernietiging van de Hevseltuinen, gaf het Marwanidische rijk zich over aan de Seltsjoeken. De slag bij Manzikert vormde trouwens aanleiding voor de eerste kruistocht.

Miniatuurschilderij: de Marwaniden omsingelen de stad Urfa die is bezet door de Byzantijnen (1032)

Poëtische thema’s

Het verlangen naar eenheid en spirituele verbondenheid zijn twee thema’s die veelvuldig terugkomen in de teksten van Hariri en worden vaak vergeleken met de latere werken van Rumi en Hafez. Zowel Koerdische folklore, als het soefisme vormen centraal onderdeel van zijn gedichten en proza, in dit soefisme staat het reinigen van het hart en de gedachten in de relatie met God en godsdienst centraal. Hariri kan echter geen soefi dichter worden genoemd maar hij was wel enorm geïnspireerd over het voeren van een spiritueel dialoog en dit is logisch gezien deze inspiratie voortkomt uit de invloeden van die tijd.

Gezien de historische context, is het logisch dat ook Babek het geloof nauw verweefde in zijn poëzie en dus veelvuldig gebruik maakte van allegorie in zijn teksten om symbolische verhalen en morele lessen mee te geven. Een bekend gedicht van Babek heet: ‘’Pesnê Buharê’’, grof vertaald naar de reis van de profeet, de term ‘’buhar’’ is een eervolle verwijzing. Linksonder staat een klein stuk uit één van de aan Babek toegewezen gedichten, rechts een stuk uit Hariri’s gedicht, ‘’Xelkno werin bibînin’’ (mensen kom dit zien):

‘’Her ro Newroz e, ey dil sed tebarek,
Elke dag is het Newroz, o hart, wat een geluk.
‘’Heyran bûm ez ji dine, Ik werd verwonderd door het leven,
Were geştê, sema ye li çarkenar e,
Kom op reis, het paradijs is als een draaiend wiel.
Sohtim ji dest evînê,
Ik streefde naar de liefde’s hand,
Peşîmanim ji emrê çû perîşan,
Ik zit vol treurnis, het leven zat vol met moeite.
Ji xwe nakim hivya jînê, Maar ik hield geen hoop op het leven,
Bi satorî me bir bê dost û yar e,
Met mijn vrienden en metgezellen, ben ik alleen, verloren’’.
L`im kêm bûm mah û sale, Ik was verloren, maanden en jarenlang’’.

Babeks werk is een goed voorbeeld van de klassieke Koerdische literatuur, waarin poëtische uitdrukkingen van liefde, verlangen en identiteit worden gecombineerd met metaforen die verbonden zijn aan de natuur, het landschap van Koerdistan en persoonlijke reflectie. Symbolische taal en diepe emotionele onderstromen zijn ook typisch voor de stijl van Hariri. Hariris werk spreekt thema’s aan zoals liefde, spiritueel verlangen en reflectie op de vergankelijkheid van het leven. Zelfs Ahmade Khani (Ehmedê Xanî) refereerde jaren later naar Hariri in zijn boek Mem en Zin met de volgende zinnen: ‘’Ik had de ziel van Mala Jaziri en Ali Hariri kunnen doen herleven met mijn werk’’.

Deze website maakt gebruik van cookies. Door deze site te blijven gebruiken, accepteert u ons gebruik van cookies.  Cookieverklaring